Wervel opereert zelden solo, wil zoveel mogelijk netwerken. Daarom stellen we in deze rubriek diverse organisaties voor waar we goede relaties mee trachten te onderhouden, zoals het Vlaams infocentrum land- en tuinbouw (VILT). We spraken met directeur Griet Lemaire – tevens hoofdredacteur van Landgenoten – en Wim Fobelets, hoofdredacteur van het VILT-nieuws.

Wat is de missie van VILT?
Officieel luidt de missie als volgt: “Door middel van informatie en communicatie bevordert en stimuleert VILT op een onafhankelijke manier een betere kennis van en begrip voor de Vlaamse land- en tuinbouw, in de meest ruime betekenis van het woord“. Dat wordt ingevuld met de website www.vilt.be voor de professionele informatiezoeker, het magazine Landgenoten voor de land- en tuinbouwers en het seizoensblad Melk&honing dat het grote publiek uitnodigt om het Vlaamse platteland te verkennen. Bijzonder aan dat laatste magazine is dat het door land- en tuinbouwers verspreid wordt. Zie het als een instrument waarmee ze zelf aan het imago van de sector kunnen werken. Intussen bestaat Melk&honing vijf jaar en wordt het concept herdacht. De burger die vervreemd is van zijn voedselproductie willen we beter bereiken.

Hoe moeilijk is het om het evenwicht te bewaren tussen maatschappelijke kritiek op de sector en promotie voor de sector bij de maatschappij?
VILT hoeft gelukkig niet op zoek te gaan naar “een evenwicht”. Noem Melk&honing gerust een PR-magazine dat landbouw en platteland promoot bij de burger, maar de website en het magazine Landgenoten dienen om te informeren. Wie zijn informatietaak ernstig neemt, kan het niet maken om slecht nieuws te verdoezelen of kritiek op de sector te verbloemen. De moderne landbouwer staat met zijn twee voeten in de maatschappij, is niet doof voor kritiek, noch blind voor de maatschappelijke verwachtingen. Dat is een gezonde houding die we ook praktiseren bij de nieuwsverslaggeving. Een redactiestatuut helpt ons de nieuwsfeiten objectief te benaderen.

Bij de laatste magazines van Landgenoten zien we thema’s opduiken als graskuil voor varkens, zelfoogstboerderijen, kleinschalige biogas- en elektriciteitsproductie,…. Welke evolutie zien jullie in de vakpers vanuit het standpunt van duurzaamheid?
De vakpers schrijft over wat er leeft in de sector. Dus mogen we besluiten dat landbouw een flinke slag naar verduurzaming heeft gemaakt. Boeren en tuinders investeerden in milieu-, dier- en mensvriendelijkheid. Het kan altijd beter, maar in vergelijking met andere sectoren hebben we de boot zeker niet gemist, alleen is het financiële plaatje door die investeringen nóg minder gaan kloppen. De maatschappij schiet niets op met land- en tuinbouwbedrijven die ecologisch en sociaal duurzaam bezig zijn, wanneer zij financieel niet kunnen overleven. Geen sector die het zo moeilijk lijkt te hebben als de landbouw om stijgende kosten door te rekenen.

Welke rol kunnen ngo’s – en meer bepaald Wervel – spelen in de verduurzaming van de landbouw?
Zij zijn de spreekbuis van de kritische burger met hoge verwachtingen omtrent zijn voedselproductie. Ngo’s hebben een belangrijke horzel- en waakhondfunctie: ze maken duidelijk waar het verkeerd gaat of beter kan en waken vervolgens over de ‘oprechtheid’ van de oplossing waar de sector mee komt. Anderzijds mogen ze het complex geheel niet uit het oog verliezen door op één facet te focussen. Zo is landbouw een economische sector waar grote investeringen terugverdiend moeten worden. Ngo’s moeten dus begrijpen dat landbouwers niet van de ene op de andere dag het roer kunnen omgooien. Daarom is het goed dat organisaties zoals Wervel meer doen dan aan de zijlijn staan roepen. Wanneer Vlaamse boeren interesse tonen voor lokale teelt van eiwithoudende gewassen of willen experimenteren met kemp en agroforestry, dan heeft Wervel daartoe bijgedragen via bewustmaking en kennisverspreiding.

(aan Wim Fobelets) Wat is jouw bedrijfsstrategie als landbouwer?
Eerlijk gezegd is mijn bedrijfsstrategie weinig relevant want mijn boerderijtje is een uit de hand gelopen hobby. En een hobby mag geld kosten, zo zegt men toch, terwijl het tegendeel waar is op een professioneel landbouwbedrijf. Ik vind het dan ook bijzonder spijtig dat het crisisspook regelmatig opduikt in onze sector. Het moet erg frustrerend zijn voor boeren en tuinders om niet vergoed te worden voor hard labeur. Als loontrekkende bediende sta ik daar zeker bij stil.

Met de huidige evolutie (-4% per jaar) blijven er in 2050 nog minder dan een kwart van het huidige aantal boeren over. De laatste decennia ging het al snel bergaf. Hoe zien jullie dit?
Dan moet je je eigenlijk afvragen of de landbouwerspopulatie een ondergrens heeft en wanneer die bereikt wordt. Daarover zei professor Johan Lambrecht (HUB) in een interview met VILT dat kwaliteit belangrijker zou moeten zijn dan kwantiteit, al houdt een voldoende groot aantal ondernemingen een sector wel scherp. Misschien moeten we ons dus meer zorgen maken over de magere instroom van jongeren dan over de grote(re) uitstroom van oudere boeren en tuinders. De zoektocht naar jonge mensen die de knepen van het vak beheersen en tegelijk weten wat ondernemerschap is, belooft moeilijk te worden. Starters van buiten de sector zijn er nauwelijks omdat een landbouwbedrijf zo kapitaalintensief is, maar zelfs de kinderen van land- en tuinbouwers zien op tegen de grote investeringen en de onzekerheid. Kleine bedrijven zonder opvolger worden dan opgeslokt door de grotere waardoor op de overblijvende landbouwbedrijven nog meer kapitaal nodig is en de risico’s nog groter zijn. De vicieuze cirkel is dan rond. Een belangrijke rol lijkt hier weggelegd voor de overheid.

Interview: Jeroen Watté