Ga naar de inhoud

Over droogte, landbouw en de kracht van een gezonde bodem

De voorbije weken zagen we opnieuw hoe droogte en hitte niet alleen lastig zijn voor mensen, maar ook diepe sporen nalaten in ons landschap. De brand in de Hoge Venen maakte dat pijnlijk zichtbaar. Duizenden hectaren natuur gingen in vlammen op. Een gebied dat eeuwen nodig had om zich te ontwikkelen, werd in enkele dagen zwaar aangetast.

Tegelijk ontstond op sociale media een discussie over landbouw en water. Diederik Steyaert van De Zaaier vertelde dat hij al 26 jaar geen water geeft aan zijn gewassen. Sommigen grepen dat aan om andere boeren die wél beregenen weg te zetten als ‘prutsers’. Dat is te kort door de bocht. Niet elke boerderij en niet elke bodem is hetzelfde. Op zandgrond, bijvoorbeeld, en met een grote diversiteit aan teelten, kan beregenen tijdens een lange droogteperiode gewoon noodzakelijk zijn. Dat betekent niet dat we niets kunnen doen. Integendeel.

Een gezonde bodem kan veel meer water vasthouden dan een uitgeputte bodem. Door organische stof op te bouwen, het bodemleven te versterken en ruimte te geven aan biodiversiteit, wordt de bodem weerbaarder. Ook maatregelen zoals peilgestuurde drainage kunnen helpen om water langer op een perceel te houden. Zo kan landbouw niet alleen water gebruiken, maar ook bijdragen aan het vasthouden ervan.

Dat is een belangrijke pijler van agro-ecologische landbouw: niet wachten tot het droog wordt om water te zoeken, maar het landschap zo inrichten dat het water zo lang mogelijk wordt vastgehouden. Maar zelfs een gezonde bodem heeft grenzen. En precies daarom moeten we de brand in de Hoge Venen ernstig nemen.

Wat verloren ging

Een natuurbrand van deze omvang is niet normaal. En dat geldt ook voor de omstandigheden waarin ze kon ontstaan en zich zo diep kon verspreiden.

Ons klimaat verandert. Droogte en extreme hitte komen vaker voor en duren langer. Klimaatwetenschapper Wim Thiery onderzocht wat dat concreet betekent voor verschillende generaties. Een kind dat in 2020 geboren werd, zal onder het huidige klimaatbeleid tijdens zijn of haar leven veel meer extreme hittegolven, droogtes, misoogsten en natuurbranden meemaken dan iemand die in 1960 geboren werd. Dat zijn geen abstracte cijfers. Het gaat over de wereld waarin onze kinderen en kleinkinderen zullen opgroeien.

De brand in de Hoge Venen toont bovendien dat klimaatverandering niet alleen gaat over warmere zomers of een paar weken zonder regen. Er kan ook iets blijvends verloren gaan.

Hoogveen ontstaat niet zomaar. Eeuwenlang stapelen plantenresten zich op in een natte, voedselarme omgeving. Omdat ze nauwelijks verteren, slaan ze grote hoeveelheden koolstof op. Het veen werkt bovendien als een soort reuzenspons: het houdt water vast en geeft het langzaam weer af. En het vormt een uniek leefgebied voor planten en dieren die we bijna nergens anders vinden. Wat eeuwen nodig had om te ontstaan, kan in enkele dagen zwaar worden aangetast.

Bij de brand kwam bovendien een enorme hoeveelheid koolstof vrij. Bosecoloog Kris Verheyen schat dat het om ongeveer 550.000 ton CO₂ gaat. Tegelijk ging een belangrijk leefgebied voor planten, insecten, vogels en reptielen verloren. Bij een brand van deze omvang bestaat het risico dat volledige populaties en hun leefgebied in één klap verdwijnen.

Een dergelijke tragedie zou de aanleiding moeten zijn voor een schok en een collectieve oproep tot actie van ongeziene aard. Niets is minder waar. Waar politici een aantal jaar geleden in allerijl terugkeerden uit hun verlof na de vernietiging van de vergunning van INEOS in het kader van de stikstofproblematiek, blijven ze nu allemaal op vakantie. Dat stemt niet bepaald hoopvol.

Toch moet die urgentie ook bij hen doordringen. Klimaatverandering, het verdwijnen van biodiversiteit en de nood aan natuurherstel zijn geen opinies van sfeerbedervers. Het zijn heel concrete problemen die vandaag al gevolgen hebben voor onze leefomgeving, onze landbouw en onze economie. En laat het duidelijk zijn: het aanpakken van die problemen hoeft geen loutere kommer en kwel te zijn.

Landbouw als deel van de oplossing

Natuur en landbouw hoeven daarbij geen tegenpolen te zijn. Een landschap met gezonde bodems, kruidenrijke graslanden, hagen, bomen en ruimte voor water kan zowel de biodiversiteit als de landbouw versterken.

Een bodem die rijk is aan organische stof houdt meer water vast. Landschapselementen kunnen water afremmen en erosie tegengaan. Een grotere diversiteit aan planten en dieren kan bijdragen aan bestuiving en natuurlijke plaagbestrijding. En kruidenrijke graslanden kunnen, mits goed beheerd, ook landbouwkundig interessant zijn. Dat is precies de richting waarin we volgens ons moeten durven denken: niet natuur naast landbouw, maar landbouw die mee natuur en een veerkrachtig landschap voortbrengt.

De Europese Natuurherstelwet biedt daarvoor kansen. Natuurherstel gaat immers niet alleen over grote natuurgebieden. Het gaat ook over meer bomen in en rond steden, rivieren die opnieuw ruimte krijgen, bestuivers en boerenvogels die terugkeren, biodiversere graslanden en het vernatten van veengebieden. Ook landbouw kan daarin een belangrijke rol spelen.

Maar dan moeten we landbouwers wel de kans geven om die rol op te nemen. Uit onderzoek van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) blijkt dat landbouwers niet per definitie tegen meer biodiversiteit op hun bedrijf zijn. Integendeel: veel landbouwers zien de waarde ervan en willen ermee aan de slag. Ze botsen alleen op praktische en financiële drempels.

Ze vragen praktijkgerichte kennis, een goede dialoog met natuurbeheerders, een gebiedsgerichte aanpak, onafhankelijke adviseurs met kennis van agro-ecologie en vooral zekerheid op lange termijn. Als we van landbouwers verwachten dat ze mee investeren in een robuuster landschap, moeten we hen daar ook voor ondersteunen.

Daar liggen vandaag kansen. Vlaanderen werkt aan een nationaal herstelplan en binnen het stikstofbeleid zijn aanzienlijke middelen voorzien voor natuurinvesteringen. Die middelen zouden we moeten gebruiken om landbouwers te helpen bij de omslag naar een landbouw die productief én natuurinclusief is. De brand in de Hoge Venen hoeft dus niet alleen een verhaal van verlies te worden. Ze kan ook een wake-upcall zijn.

We weten dat ons klimaat verandert. We weten dat biodiversiteit onder druk staat. We weten dat een gezonde bodem en een landschap dat water kan vasthouden ons weerbaarder maken. En we weten dat landbouwers daar een belangrijke rol in kunnen spelen.

De vraag is dus niet langer óf we iets moeten doen. De vraag is: waar wachten we nog op?