Opinie: Landbouwgrond of natuurgrond? Misschien moeten we stoppen met kiezen
Op 6 september zat ik mijn boterhammetjes te smeren aan de ontbijttafel terwijl ik De Zondag las. “Er is te veel landbouwgrond”, kopte de krant, met een foto van Vlaams minister Melissa Depraetere erbij. De uitspraak zorgde voor de nodige reactie in natuurmiddens, maar ook in de politiek zelf.
Nieuwsgierig naar de redenering achter die uitspraak, begon ik te lezen. Maar één ding bleef bij mij vooral hangen. En dat zag ik ook terug in latere berichtgeving en politieke reacties: landbouwgrond en natuurgrond werden opnieuw als twee aparte categorieën besproken.
Alsof de ene soort grond voor de landbouw is en de andere voor de natuur.
Maar moet dat eigenlijk wel zo zijn?
Toen ik twaalf was, trok ik met JNM (Jeugdbond voor Natuur en Milieu) op kamp naar Het Bolhuis in Diest. Kurt Sannen leerde ons daar dat landbouw en natuur niet noodzakelijk twee tegenpolen zijn. Zijn koeien en schapen graasden in natuurgebieden en hielpen er mee het landschap te beheren. Mijn natuurhart werd er die dagen een beetje ruimer van. En ergens werd ook de deur geopend naar een wereld die ik toen nog nauwelijks kende: die van duurzame landbouw.
Vandaag bestaat die samenwerking nog altijd. Het Bolhuis werkt samen met Natuurpunt en het Agentschap voor Natuur en Bos. De dieren worden ingezet voor begrazingsbeheer in natuurgebieden. De samenwerking met Natuurpunt loopt er al ongeveer twintig jaar.
Het is een eenvoudig idee, maar tegelijk een behoorlijk revolutionair idee: een koe kan een landbouwhuisdier zijn én een natuurbeheerder.
De koe als natuurbeheerder
Een ander prachtig voorbeeld vinden we in de Prosperpolder. Bij het Saeftingherhof grazen runderen gedurende ongeveer zes maanden per jaar in het Verdronken Land van Saeftinghe. Op zo’n 250 hectare natuurgebied doen ze zich tegoed aan de zilte vegetatie. Hun begrazing is er onderdeel van het beheer van het gebied. De boeren zijn er dus niet simpelweg “gebruikers” van natuurgrond. Hun dieren vervullen er een functie. En omgekeerd krijgt de landbouwer toegang tot grond die hij anders niet zou kunnen gebruiken.
Dat is geen theoretisch model. Het gebeurt vandaag al.
Ook Het Bolhuis toont dat landbouw en natuur veel meer met elkaar verweven kunnen worden. Op de website van het bedrijf wordt het heel eenvoudig omschreven: landbouw en natuur kunnen elkaar versterken. De samenwerking met Natuurpunt leidde er onder meer tot innovatieve begrazing met een zogenoemde virtuele omheining, waardoor koeien heel gericht in natuurgebieden kunnen grazen.
Het zijn voorbeelden die ons uitnodigen om anders naar grond te kijken. Niet als een taart waarvan elke hap maar één bestemming kan hebben. Wel als een landschap waarin verschillende functies elkaar kunnen versterken.
De werkelijkheid kent geen hokjes
Dat is precies waar agro-ecologie voor ons interessant wordt. Agro-ecologie vertrekt niet vanuit de vraag hoe we één functie zo efficiënt mogelijk op één perceel kunnen organiseren. Ze kijkt naar het geheel: bodem, water, biodiversiteit, landbouw, dieren, mensen en het landschap errond. Dat betekent niet dat elke landbouwgrond natuurgebied moet worden. En ook niet dat natuur overal landbouw moet worden. Het betekent wel dat we de tegenstelling niet als vertrekpunt hoeven te nemen.
Een grasland kan voedsel produceren én biodiversiteit herbergen. Een boer kan voedsel produceren én landschapselementen onderhouden. Een veestapel kan onderdeel zijn van een gesloten kringloop én ingezet worden voor natuurbeheer. Bomen kunnen hout, fruit of veevoer leveren én tegelijk bijdragen aan biodiversiteit en bodemkwaliteit.
De vraag wordt dan niet langer: is dit landbouwgrond of natuurgrond? Maar: wat kan deze grond betekenen? En welke functies kunnen we hier combineren?
Vlaanderen heeft geen overschot aan grond
Dat is misschien wel de fundamentele vraag die onder het huidige debat ligt. We hebben in Vlaanderen ontzettend veel ruimteclaims. Er is ruimte nodig voor voedselproductie, natuur, water, wonen, energie, recreatie, infrastructuur en bedrijvigheid. Grond is schaars. Juist daarom lijkt het ons vreemd om de discussie telkens opnieuw te voeren alsof elke vierkante meter maar één functie kan hebben.
Bovendien hebben landbouw en natuur op één belangrijk punt iets gemeen: ze hebben allebei grond nodig. En niet zomaar een beetje. Natuurorganisaties beheren natuurgebieden, landbouwers hebben grond nodig om hun bedrijf te kunnen runnen. Geen van beide sectoren beschikt over een onbeperkte hoeveelheid ruimte. Waarom zouden we dan niet veel meer zoeken naar samenwerkingen waarbij dezelfde grond meerdere maatschappelijke functies kan vervullen?
Het Bolhuis doet dat al. Saeftingherhof doet dat al. Er zijn ongetwijfeld nog veel meer boeren, natuurverenigingen en lokale initiatieven die op hun eigen manier die brug slaan.
Niet minder landbouw of meer natuur, maar meer samenwerking
Daarom zouden we het debat over landbouwgrond graag een andere richting zien uitgaan. Niet: hoeveel landbouwgrond moeten we afbouwen? Maar ook niet: hoeveel landbouwgrond moeten we koste wat kost behouden? Wel: hoe zorgen we ervoor dat onze schaarse grond zo goed mogelijk wordt gebruikt voor voedsel, natuur, water, klimaat en leefbaarheid? Dat vraagt natuurlijk ook iets van beleid.
Samenwerking tussen landbouw en natuur mag niet uitsluitend afhangen van enkele pioniers die toevallig bereid zijn om over de grenzen van hun sector heen te kijken. Als we vinden dat zulke combinaties maatschappelijke waarde hebben, moeten we ze ook mogelijk en aantrekkelijk maken.
Dat kan bijvoorbeeld door landbouwers die natuurdoelen realiseren daar eerlijk voor te vergoeden. Door gebruiksovereenkomsten eenvoudiger te maken. Door natuurorganisaties en landbouworganisaties samen naar gebiedsbeheer te laten kijken. Door regelgeving niet automatisch vanuit afzonderlijke beleidskokers te organiseren.
En vooral: door niet langer te vertrekken vanuit de veronderstelling dat landbouw en natuur elkaar in de weg zitten.
Misschien ligt de oplossing wel tussen de vakjes
Toen ik als twaalfjarige op JNM-kamp naar Het Bolhuis trok, dacht ik vooral dat ik op natuurkamp ging. Ik had toen nog geen idee dat die dagen mee zouden bepalen hoe ik vandaag naar landbouw kijk. En daar leerde ik jaren geleden al tijdens een debatmoment op kamp: “Ik geloof niet in een landschap met gescheiden functies, maar wel in het combineren van diverse functies.”
Misschien is dat wel precies de gedachte die we vandaag opnieuw nodig hebben. Niet kiezen tussen landbouw en natuur. Niet landbouwgrond tegenover natuurgrond zetten. Maar zoeken naar de plekken waar landbouw en natuur elkaar kunnen versterken. Want de mooiste oplossingen bevinden zich misschien niet in één van beide hokjes. Misschien liggen ze ertussenin.