Nu velen onder ons tijd vinden om te koken en bij de boer om de hoek te kopen, is het goed daar ook wat breder vragen bij te stellen. Wat heeft ons voedselsysteem nodig om schokbestendiger te worden?

Vlaanderen heeft een hoogproductieve landbouwsector en een belangrijke voedselindustrie die veel jobs verschaft en zorgt voor een handelsoverschot: we exporteren veel meer dan we importeren. Daar worden nu vragen bij gesteld. Een miljoen ton aardappelen die niet als friet zullen eindigen, maar als veevoer of biogas, roepen herinneringen op aan de massa niet-geoogste peren bij het wegvallen van de Russische exportmarkt. Maar onze huidige afhankelijkheid van de wereldmarkt is nog veel gevaarlijker op een ander vlak. Tenslotte zijn hamburgerrestaurantfrietjes geen cruciaal ingrediënt van de wereldwijde voedselzekerheid, zelfs al krijgen ze nutriscore A.

importafhankelijkheid

Als Brazilië of de Verenigde Staten opeens hun grenzen zouden sluiten voor soja-export, zou pijnlijk opvallen hoezeer we afhankelijk zijn van de import van eiwitgewassen. Dat is zo voor alle West-Europese landen waar veehouderij zich geconcentreerd heeft rond de invoerhavens van een ooit spotgoedkoop ingrediënt: overzeese soja. De Europese instellingen zijn allang op de hoogte dat die importafhankelijkheid ons voedselsysteem kwetsbaar maakt, daar hadden ze geen Covid-19 pandemie voor nodig.

De Europese Commissie wil vooruit. In het kader van haar ambitieuze Green Deal stelde de Commissie op 20 mei de ‘van boer tot bord’ strategie en de biodiversiteitsstrategie voor. Ze verantwoordt die in straffe bewoordingen. ‘Het is duidelijk: een nieuwe, gezondere, eerlijkere en meer duurzame aanpak van voedselsystemen is nodig. Business as usual is niet langer een optie’. Dat is letterlijk ook de taal van hetIAASTD-rapport van 2008 waar 400 wetenschappers vier jaar lang aan schreven. De wetenschappelijke consensus voor agro-ecologie en multifunctionele landbouw van toen staat nu – twee grotendeels mislukte hervormingen van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid later – prominent op de agenda van de Europese Commissie. Velen spreken dan ook van een trendbreuk.

De verwachtingen zijn hooggespannen. De gevestigde belangen staan ook nu weer op hun achterste poten. Ze schreeuwen moord en brand. Binnen 10 jaar 50% minder pesticiden en 20% minder kunstmest? En 25% biolandbouw? Het lobbywerk van de Europese koepel der Boerenbonden cultiveert gretig de fabel dat Europa de wereld niet meer gaat kunnen voeden: ‘de voedselzekerheid van 11 miljard mensen komt in het gedrang!’. Zouden die mensen zichzelf serieus nemen? Europa heeft de wereld nog nooit gevoed. Integendeel, netto zijn we importeurs van voedsel als je in gewicht rekent.

vervuild debat

Dit is dus een vervuild debat. De juiste keuzes maken wordt niet makkelijker met polariserende zwart-witstukken die de gekleurde realiteit geweld aandoen. Claims als ‘bio brengt niet op’ houden geen rekening met de toenemende bodemvruchtbaarheid van agro-ecologische systemen. Abstractie maken van de wereldwijde bodemdegradatie is onverantwoord. Karikaturen maken van een terecht pleidooi voor veerkracht in het voedselsysteem alsof dat Vlaamse autarkie inhoudt ook.

Er zijn wel degelijk scenario’s voor transitie. Onderzoekers van het IDDRI modelleerden hoe we tegen 2050 in Europa onszelf zouden kunnen voeden en tegelijk de agro-ecologische transitie kunnen realiseren. Geen kunstmest, geen pesticiden en ook geen eiwitimport meer. Wel volop herstel van natuurlijke graslanden en gevoelige uitbreiding van de agro-ecologische infrastructuur van hagen, bomen en poelen. We zouden ons dieet moeten aanpassen. De totale vleesconsumptie zou dalen, vooral van graaneters zoals kip (-66%) en varken (-60%) die met reststromen zouden worden gevoederd. De consumptie van rundvlees zou licht dalen (-3%) maar volledig gebruik maken van de herstelde graslanden. Hoezo, de koe is dan toch niet de boeman?

Dit soort scenario-oefeningen moet veel meer gebeuren, maar dat vraagt kennis van agro-ecologische technieken en heroriëntatie van onderzoeksbudgetten. Ons landbouwonderzoek en dus ook onderwijs is – zo waarschuwde het IAASTD in 2008 al – te éénzijdig gefinancierd door de privésector en te weinig in functie van het algemeen belang. Helaas is dit nog steeds het geval. Hoe erg is het dat een cursus plantenbescherming voor professionals zich alleen toespitst op het medicijnkastje van de pesticidenindustrie? Alsof in het Internationaal Jaar van de Plantgezondheid onze kennis zich daartoe zou moeten beperken? Op Vlaams niveau werd de diagnose een paar jaar geleden al gesteld door ILVO: agro-ecologie is nog amper aanwezig in land- en tuinbouweducatie. Hoog tijd om de aanbevelingen op te volgen, minister Weyts.

landbouwonderzoek democratiseren

Ook elders in Europa weerklinken oproepen om het landbouwonderzoek te democratiseren. Het is van belang het middenveld te betrekken en de pioniers inzake agro-ecologie financieel te ondersteunen om dingen uit te proberen: innovatie kost leergeld. Ondanks de erkenning van de cruciale rol van agro-ecologie, door bijvoorbeeld ILVO-baas Joris Relaes die stelt dat ‘de zorg voor de bodem iets is wat agro-ecologie de landbouw kan bijbrengen’, gebeurt dat nog veel te weinig.

Nochtans zijn agro-ecologische lerende netwerken bij uitstek de plaatsen waar de dingen echt veranderen. Mensen die openstaan om hun kennis te delen moet je ondersteunen. Je zou denken dat in tijden van chronisch watertekort de pioniers in herstellende landbouw die met snelle humusopbouw van de bodem een spons maken die water vasthoudt, omarmd zouden worden? Ze produceren voedsel, maken het landbouwsysteem veerkrachtig en doen aan koolstofopslag. Richt samen een fonds op om hen te ondersteunen, ministers Demir en Crevits!

Eerst verschenen in Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 6 (juni), pagina 8 tot 9

Geef een reactie